“Niet de tool, maar de inwoner”: Liesbeth van den Heuvel over samenwerken aan een digitaal verbonden regio

“Als kleindochter wil ik erop kunnen vertrouwen dat partijen van elkaar weten wat ze doen en hun ondersteuning afstemmen.”

Liesbeth van den Heuvel

De zorgvraag groeit, het aantal professionals niet. Wie wil dat zorg en ondersteuning toegankelijk blijven, moet het anders organiseren. Daar helpt digitale samenwerking bij, maar alleen als je bij het juiste onderwerp begint.

We spraken met Liesbeth van den Heuvel, programmamanager bij RSO Trijn. Trijn trekt als programmaorganisatie de regionale transformatie in Midden-Nederland, waarin zorg- en welzijnsorganisaties en gemeenten samenwerken aan betere digitale samenwerking en gegevensuitwisseling. Of liever gezegd: databeschikbaarheid. Sociaal Digitaal doet als deelnemer mee en zorgt vanuit het sociaal domein voor de verbinding met zorg en welzijn.

Liesbeth woont in IJsselstein met haar partner, twee zoons en kat Sammy. In haar vrije tijd stapt ze het liefst op de racefiets, of ze zoekt de rust op van een camping in Frankrijk of Italië. Haar loopbaan begon als verpleegkundige in de ouderenzorg. Die ervaring neemt ze nog altijd mee: ze weet hoe groot de druk in de zorg is en hoe belangrijk het is om samen te zoeken naar wat anders en beter kan.

Dichtbij huis ziet ze het ook. Haar oma is bijna 107 en woont nog zelfstandig, maar er komen steeds meer hulpverleners bij haar over de vloer. Die werken niet altijd met elkaar samen. Een goed gesprek dus, over waarom ze doet wat ze doet.

“Als kleindochter wil ik erop kunnen vertrouwen dat partijen van elkaar weten wat ze doen en hun ondersteuning afstemmen.”

 

Je begon als verpleegkundige. Hoe kwam je bij Trijn terecht?

Ik ben van oorsprong verpleegkundige in de ouderenzorg. Dat is inmiddels bijna dertig jaar geleden, maar de taal en de manier van werken herken ik nog steeds. Dit heb ik door de tijd heen in mijn rollen als projectmanager, afdelingsmanager en CIO altijd gebruikt. Wat me is bijgebleven: hoe zie je iemand niet alleen als patiënt, maar juist als persoon? En hoe bied je zorg die echt aansluit bij wat diegene wil?

Tijdens het werken ging ik Beleid en Management in de gezondheidszorg studeren aan de Erasmus universiteit. Via consultancy kwam ik bij Altrecht terecht, waar ik als projectleider het allereerste elektronisch patiëntendossier implementeerde. Daarvoor werkte elk team op papier, met eigen formulieren. Nu kregen we één uniform dossier voor heel Altrecht. Informatie was er op het moment dat je die nodig had en een dossier kon niet meer kwijtraken. Dat liet me zien wat digitalisering kan doen.

Vanuit Altrecht zat ik als CIO ook al aan tafel bij de voorloper van Trijn, een netwerk waar we elkaar als CIO's troffen om ervaringen uit te wisselen. Met de komst van een nieuwe directeur ging het steeds meer over wat we samen willen bereiken. Een tijdje later ben ik haar met veel enthousiasme gevolgd naar Trijn.

Wat doet Trijn concreet in de regio?

De zorgvraag stijgt en tegelijkertijd hebben we te maken met personeelstekorten. Zoals we het nu doen, is het niet meer houdbaar. We moeten dus slimmer samenwerken: tussen zorg en welzijn, maar ook door beter van elkaar te weten wie wat doet en op elkaar aansluiten.

Daarom is er een regioplan opgesteld met de belangrijkste opgaven voor de regio. Digitalisering en gegevensuitwisseling vormen het fundament onder die opgaven. Dat fundament geven we vorm in een regionaal transformatieprogramma.

Trijn stuurt dit programma aan. Dat doen we met een programmadirecteur, programmamanagers en projectleiders. Tegelijkertijd doen we dit echt samen. Een programmamanager of projectleider kan bijvoorbeeld ook vanuit een van de andere betrokken partijen komen.

Het programma richt zich op twee belangrijke onderdelen: het ondersteunen van de samenwerking en communicatie tussen partijen én het makkelijker beschikbaar maken en uitwisselen van gegevens. Daar werken we met minstens tien werkgroepen aan. Denk aan een architectuurraad, een werkgroep voor informatieveiligheid en privacy en verschillende werkgroepen rondom de usecases. In deze werkgroepen zorgen we ervoor dat de verschillende sectoren en partijen goed vertegenwoordigd zijn.

Waarom is dit zo belangrijk, ook voor jou persoonlijk?

Het begint bij de inwoner. Neem iemand die door de huisarts wordt doorverwezen. Het zou mooi zijn als de volgende professional al weet wat er besproken is. Dan hoeft de inwoner niet opnieuw het hele verhaal te doen. Dat zien we ook in de regio: inwoners moeten vaak steeds hetzelfde verhaal vertellen. Digitalisering kan dat ondersteunen, maar het is nooit het doel. Eerst komt de vraag: wat willen we bereiken en wat hebben inwoners en professionals daarvoor nodig? Pas daarna kies je een digitale oplossing.

De urgentie is hoog. Als we willen dat zorg toegankelijk blijft voor iedereen, en we geen gigantische wachtlijsten willen zoals in Engeland, moeten we het anders doen. Voor specifieke doelgroepen hebben we die wachtlijsten nu al. En ik vind het belangrijk dat de inwoner daarbij zelf de regie houdt. Daar heb je informatie voor nodig.

Bij mijn oma zie ik hoe het in de praktijk werkt. Nu komt de thuiszorg een paar keer per week langs en heeft ze vanuit welzijn een thuismaatje dat met haar naar de bakker gaat. Dat is nog overzichtelijk. Maar wat als het ingewikkeld wordt? Dan is het van levensbelang dat al die partijen met elkaar communiceren.

 

"Ik zou liefst één plek hebben, één digitale omgeving waar alles samenkomt."

Een plek waar ik als inwoner alle informatie kan vinden en alle partijen kan treffen, maar waar ik zelf ook relevante informatie aan kan toevoegen. 

En dan komt de vraag: willen mensen wel toestemming geven om hun gegevens met zoveel professionals te delen?

Daar kan ik twee antwoorden op geven. Uit onderzoek blijkt dat hoe groter je nood is, hoe sneller je zegt: geen probleem, je hebt toestemming. Maar er kan ook informatie zijn die je liever niet deelt. Daarom moeten we een mechanisme inbouwen waarmee inwoners zelf kunnen kiezen wat ze wel en niet delen. Dit is een belangrijk onderdeel dat we meenemen in het programma.

Mijn tweede antwoord: in Europa zijn landen die hier al verder in zijn, Finland en Denemarken bijvoorbeeld. Dus we kunnen ook kijken hoe zij het hebben georganiseerd.

Trijn komt uit de zorg. Hoe vullen jullie en het sociaal domein elkaar aan?

Als je begint bij de inwoner, kan de samenwerking tussen welzijn en zorg veel opleveren, zeker op preventie en het voorkomen van zwaardere zorg. Alle partijen kunnen daar iets bijdragen. Denk aan de afdeling eetstoornissen van Altrecht: die kan welzijnspartijen uitleggen hoe cliënten denken en wat wel of niet werkt. Zo kun je aan de voorkant al veel doen.

Maar vanuit de zorg moeten we niet zeggen: wij weten hoe het moet, doe het maar zo. We moeten bescheiden zijn. Het zijn verschillende werelden. Ik denk aan mijn eigen wijk in IJsselstein. Als daar iemand woont die mijn hulp kan gebruiken, wil ik dan alles van die persoon weten? Misschien ben ik gewoon de buurvrouw die een kopje koffie komt drinken. Je moet goed kijken wat past bij welzijn.

Daar begint de samenwerking tussen Trijn en Sociaal Digitaal: met elkaar begrijpen en vertrouwen. Zorg en welzijn gebruiken soms andere woorden en werken anders. Neem dus echt de tijd om uit te leggen wat je bedoelt, hoe je werkt en welke waarden je belangrijk vindt. Anders heb je twee hele andere einddoelen. En uiteindelijk doen we het allemaal voor dezelfde persoon: de inwoner.

Waar staan we nu in de regionale transformatie?

Ik ben trots dat partijen in de regio elkaar steeds beter weten te vinden, veel meer dan toen ik bij Trijn begon. We werken echt als netwerk, en dan bedoel ik niet alleen Trijn, maar alle leden en deelnemers samen. Dat gaat niet altijd makkelijk. Soms is het inhoudelijk hartstikke moeilijk en had ik graag gezien dat we al verder waren. Maar iedereen heeft nog steeds die ambitie en samen zetten we de schouders eronder. Dat vind ik knap.

Voor mijn eigen thema, gegevensuitwisseling, zijn we voor bepaalde onderdelen de pilotfase voorbij en bezig met opschaling. Dat vind ik wel stoer. Een voorbeeld is de spoedzorg. Daar werken we mee aan een landelijk programma: er zijn berichten afgesproken, gebaseerd op een standaard en die zijn gedigitaliseerd. Elke regio in Nederland werkt met dezelfde berichten. Bij ons draait er nu al een flink aantal, en wisselen de meldkamer, ambulances en hap’s echt berichten met elkaar uit. Bijvoorbeeld een spoedsamenvatting van de huisarts voor de ambulance, zodat de ambulance weet wie ze gaan ophalen en wat ze te doen hebben.

Voor andere onderdelen zitten we er nog midden in, of moeten we zelfs nog beginnen aan de pilotfase. Regionale digitale samenwerking is dus niet alleen een ambitie. Op sommige plekken gebeurt het al. En daar kunnen we van leren.

Als je vooruit kijkt: waar hoop je dat we samen naartoe gaan?

Ik hoop dat we het gesprek blijven voeren over wat we willen bereiken, in plaats van meteen over toepassingen te praten. Dus niet: welke tool gebruiken we? Maar: wat willen we met elkaar? Bijvoorbeeld dat we op een makkelijke manier met elkaar kunnen communiceren. Hoe willen we samenwerken, welke informatie hebben we daarvoor nodig en wat heeft de inwoner nodig? Pas daarna kijk je welke toepassing daarbij past.

"Niet ieder voor zich een oplossing bedenken, maar samen kijken wat nodig is."